besloten vennootschap: Terugbetaling aandelenkapitaal en pensioenaanspraak
(terugbetaling van aandelenkapitaal kan leiden tot een belaste afkoop van pensioenaanspraak)

Per 1 oktober 2012 is het verplichte minimumkapitaal van besloten vennootschappen vervallen. Hierdoor zouden bestaande vennootschappen mogelijk kunnen besluiten om tot kapitaalvermindering over te gaan overeenkomstig artikel 2:208 BW juncto artikel 2:216 BW. Volgens de Belastingdienst kan het terugbetalen van aandelenkapitaal (of het uitkeren van dividend) gevolgen hebben voor een door de besloten vennootschap uitgevoerde pensioen- of stamrechtovereenkomst. 

Indien de BV door het terugbetalen van het aandelenkapitaal of het uitkeren van dividend niet langer in staat is om het pensioen en/of stamrecht volledig uit te keren, is er sprake van een (gedeeltelijke) afkoop van pensioen of stamrecht. De volledige pensioen- en/of stamrechtaanspraak wordt dan op grond van artikel 19b Wet LB direct in de belastingheffing betrokken. Op grond van artikel 30i AWR wordt er bij de pensioen- en/of stamrechtgerechtigde bovendien revisierente in rekening gebracht. Voor de vraag of de BV nog in staat is om het pensioen en/of stamrecht volledig uit te keren, is het na de uitkering van kapitaal of dividend resterende vermogen van de BV van belang. Er moet voldoende vermogen in de BV achterblijven om het pensioen en/of stamrecht op korte en lange termijn volledig te kunnen uitbetalen. Voor deze toets moeten alle activa en passiva van de BV (dus inclusief pensioen en/of stamrechtverplichting) gewaardeerd worden op de werkelijke waarde in het economische verkeer. De waarde van de pensioen- en/of stamrechtverplichting is minimaal gelijk aan de koopsom die aan een professionele verzekeringsmaatschappij betaald zou moeten worden voor het onderbrengen van die verplichting. Bij het vaststellen van de waarde moet onder meer rekening worden gehouden met een toegekende indexatie van de pensioen- en/of stamrechtuitkeringen. Indien volgens de pensioen- en/of stamrechtovereenkomst de BV bij vooroverlijden van de directeur-grootaandeelhouder aan de partner en/of kinderen uitkeringen moet doen, dient hiermee rekening te worden gehouden voor het minimaal in de BV achter te blijven vermogen. Als de BV het risico van vooroverlijden niet elders heeft herverzekerd, moet de BV extra vermogen aanhouden en kan niet worden volstaan met het aanhouden van vermogen ter grootte van de koopsom die aan een professionele verzekeraar moet worden betaald.

 Bron: Belastingdienst/FBN november 2012

Vragen/contact


Stel hier uw vraag